Spikkel

Een waargebeurd verhaal.
Was bedoeld als tweede inzending voor het Boekengilde boek.
Twentse vertaling in de pen.

‘Vangen Spikkel!’

Papa gooit de tennisbal hoog in de lucht, Spikkel wacht. Pas als de bal binnen zijn bereik is springt hij op. Hij vangt de bal met open bek, rent een paar rondjes en legt de bal weer netjes voor papa neer. Dan loopt het hondje een eindje achteruit, blijft stil staan en zakt door zijn voorpootjes. Het is een raar gezicht, omdat de achterkant van zijn lijfje nog omhoog staat. Hij schuifelt nog een klein stukje naar achteren, legt zijn kop op de voorpootjes en kijkt vol verwachting strak naar het balletje. Als hij zo staat lijkt het net alsof zijn kleine staartje nog harder kwispelt dan anders.
Mies moet er elke keer weer om lachen. Spikkel is een hele lieve hond en hij luistert prima, maar toch gaat papa nog steeds mee om Spikkel uit te laten. Steevast gaan ze elke middag als papa terug is van het werk wandelen langs de bosrand achter het huis. De tennisbal gaat mee en Spikkel weet dat al precies. Als de auto het oprit opdraait staat hij te wachten met het balletje in zijn bek.

Spikkeltje lijkt op een Jack Russel en is dol op spelen. Van welk ras zijn ouders precies zijn, dat weet niemand, want Spikkel komt uit het asiel. Het is een bruin wit hondje met op zijn zwarte neus een kleine rose spikkel en omdat niemand wist hoe hij heette hadden ze hem, in het asiel, Spikkel genoemd. Ongeveer vier weken geleden mochten Mies en haar ouders het hondje ophalen nadat ze eerst een paar keer met hem hadden gewandeld. Het was zo’n lief speels hondje dat ze hadden besloten om hem te houden. Papa had gezegd dat het nog wel een paar weken zou duren voordat het beestje gewend was en dat Mies hem daarna alleen uit mocht laten. Mies was zo blij geweest en ook haar jonge broertje Wouter vond Spikkel: ‘ de liefte Pikkel van de heeele weeleld’ .

Nu is het zondagmiddag en zijn ze weer aan het spelen op de brede strook gras langs de bosrand. ‘Laatste keer Spikkel’, roept papa terwijl hij de tennisbal omhoog gooit. Hij draait zich om naar Mies en zegt : ‘ ik denk dat je vanaf morgen prima alleen met hem kunt gaan meisje. Hij luistert zo goed!’ Mies juigt en op dat moment is Spikkel afgeleid, de bal komt niet in zijn bek, maar op zijn neus, verandert daardoor van richting en schiet het bos in. Spikkel vliegt er achteraan onder de bramenstruiken door en verdwijnt uit het zicht. ‘Spikkel kom hier’, roept papa en wil hem achterna gaan, maar de struiken zijn te dicht en de doornen prikken door zijn broek. Met een flinke scheur in zijn broek rent hij over het gras tot aan het einde van de strook, waar hij achter de struiken langs het bos in kan. Hj roept en roept.

Mies weet niet wat ze moet doen en staat als een standbeeld op het gras. Ze hoort papa roepen, steeds verder weg klinkt zijn stem. ‘Spikkel, kom hier, Spikkeltje kom dan!’ Ze begint zachtjes te huilen. ‘Kom terug lief klein Spikkeltje, kom terug, ik hou zoveel van jou!’ En dan harder: ‘Papa kom terug straks verdwaal je nog.’ Ze zakt door haar knieen en de tranen biggelen over haar wangen. Zo vindt papa haar even later als hij alleen uit het bos komt. Van Spikkel geen enkel spoor. Mies vliegt haar vader om de hals: , ‘Ik was zo bang dat je zou verdwalen, papa.’ ‘Ik verdwaal hier niet meisje, ik ben hier geboren en ken het bos als mijn broekzak, maar ons hondje kan ik niet vinden en ik ben bang dat hij wel verdwaald is. We gaan naar huis even wat drinken en dan pakken we de auto en gaan hem zoeken. Zullen we dat doen?’ Mies wrijft met de achterkant van haar hand over haar ogen en knikt dapper. Ja dat gaan ze doen, ze gaan Spikkel zoeken, zover kan hij immers nog niet zijn.

Ze zoeken totdat het etenstijd is en daarna weer opnieuw totdat het bedtijd is. Spikkeltje is verdwenen, helemaal verdwenen. Ze begrijpen er niets van en heel verdrietig gaat Mies naar bed. Papa heeft beloofd om morgen, op het werk, alle asiels in de buurt te bellen om te vragen of ze hen op de hoogte willen houden van de hondjes die binnenkomen en op een Jack Russel lijken. En hij zal kopietjes maken met de tekst: ‘Vermist, onze lieve kleine Spikkel’ en een foto van Spikkeltje, die ze overal op kunnen hangen.
Maar ook dat helpt niet, niemand heeft Spikkel gezien. Elke avond gaan ze met de auto een rondje rijden om te zoeken en dan is de week alweer bijna voorbij. Die avond pakt papa zijn viskoffer in, zoals elke vrijdagavond. Zaterdagsmorgens al heel vroeg gaat hij vissen, dat is zijn begin van het weekend. Mama, Mies en Woutertje gaan altijd naar de markt en dan is vader tegen etenstijd terug. Mies ziet dat papa zijn spulletjes pakt ze wordt boos en begint te huilen. ‘Ga jij vissen nu Spikkel nog steeds niet terug is, dat vind ik niet lief, we kunnen beter nog gaan zoeken, papa!’ ‘Kom eens even bij me zitten,’ zegt papa en neemt het verdrietige meisje op schoot, ‘we hebben de hele week gezocht, overal posters opgehangen en alle dierenasiels in de buurt afgebeld. Spikkel is nu een week weg, misschien heeft hij zijn oude baasje wel weer terug gevonden. Zou dat niet fijn voor hem zijn? Morgenvroeg ga jij net zoals alle zaterdagen met mama en Woutertje naar de markt, papa gaat vissen en morgenmiddag gaan we weer zoeken. En nu niet verdrietig meer zijn,beloofd?’ Beloofd’ zeg Mies en wrijft dapper haar tranen uit haar ogen.

Als ze de volgende ochtend op de markt lopen denkt Mies dat ze haar vaders auto voorbij ziet rijden. Ze trekt aan haar mama’s jas. ‘Mam, ik zag papa rijden!’ Mama kijkt op, maar de auto is al weg.’ Dat zal wel iemand anders zijn geweest met precies dezelfde auto. Het is nog maar half 10 en papa is meestal pas om half 1 thuis. Kom we gaan naar de groenteboer en dan krijg je een lekkere appel van me om op te eten.’ Heerlijk, denkt Mies als ze even later de dikke rode appel in jaar handen heeft en is het voorval al weer vergeten. Woutertje krijgt een banaan en al smullend gaat het verder terwijl moeder de andere boodschappen doet en onder de wandelwagen pakt.

Tegen 11 uur lopen ze hun straatje in en Mies ziet al van verre papa’s auto staan. Ze juicht: ‘Zie je wel, Mam, ik had gelijk.’ Mama begrijpt er niets van, de auto staat op het oprit met alle ramen open en als ze erlangs lopen komt er een afgrijselijke stank uit. Als ze de poort open doen komt er opeens iets wits aan rennen en ze horen vader roepen: ‘Kom hier ondeugende hond, in bad jij!’ ‘Spikkel!!’ Mies gilt het uit en het witte badschuim vliegt alle kanten op als het hondje blij tegen haar aan springt. Mies valt om en ze rollen samen door het gras. Sprakeloos staat mama nog bij de poort. Woutertje roept: ‘Wouter wil uit, Wouter wil Pikkel toe!’ Ineens begint mama heel hard te lachen en wijst naar papa die er wel heel erg grappig uitziet in zijn hemd en met opgestroopte broekspijpen. Daarover heeft hij mama’s schort en nog zit hij helemaal onder het schuim. Ze loopt naar hem toe en veegt eerst al het schuim van zijn gezicht. Dan geeft ze hem een dikke zoen op zijn wang en zegt proestend: ‘Je ruikt een beetje raar lieverd!’ Dan mag ook Woutertje uit de wandelwagen en terwijl ze met zijn allen Spikkeltje weer in het bad proberen te krijgen doet papa zijn verhaal.

Hij was vanmorgen al heel vroeg opgestaan, maar had eigenlijk helemaal niet zoveel zin om te gaan vissen, ook hij mistte Spikkel en daarom had hij besloten om niet helemaal naar het vismeer te rijden, maar naar het kanaal vlakbij. Als hij dan geen zin meer had, was hij in een mum van tijd weer thuis en konden ze nog even naar Spikkel zoeken. Hij had zijn visspullen net uitgepakt, een worm aan de haak gedaan en een boterhammetje gepakt toen hij aan de overkant van het kanaal een vies bruin beest zag lopen met een bal in zijn bek. Papa was gaan staan om beter te kunnen zien. Het zou toch niet waar zijn, als dat hun Spikkeltje niet was. De hele week hadden ze naar hem gezocht en hier waar vader eigenlijk niet had willen zijn, loopt hij langs het water. Papa had geroepen en geroepen en ja hoor, het hondje had hem gezien en wilde zo het water inspringen, maar er kwam een hele grote boot aanvaren. Vlakbij was een brug en papa had het op een rennen gezet, hij hoopte dat Spikkel hem zou zien en ook de goede kant op zou gaan rennen. Maar de boot voer ervoor en papa kon het hondje niet meer zien. Tot ineens bovenop de brug, vanaf de andere kant kwam Spikkel zo hard als zijn kleine kromme pootjes hem konden dragen. Zo af en toe een hupje ertussen, wat alleen een Jack Russel kan en omdertussen kwispelde het staartje dat het een lieve lust was. Papa was door zijn knieen gegaan toen het beestje bij hem was en bijna omgevallen door de wildebras en misschien ook wel door de stank. Want Spikkel stonk naar mest, het was vreselijk geweest verteld papa. Dikke klonten met poep hadden aan zijn pootjes gezeten en een zijn oortjes. Maar het was Spikkel, wonderbaarlijk dat het kleine hondje hier liep op een plek waar papa eigenlijk nooit ging zitten vissen omdat er zoveel boten langs kwamen. Spikkel was terug en dat was het belangrijkste.

Eerst had papa hem al zijn boterhammen met kleine stukjes tegelijk gevoerd, want Spikkeltje had honger, erge honger, en daarna had papa geprobeerd de meeste mest eraf te spoelen met water uit het kanaal. Spikkel was netjes blijven zitten en telkens weer had papa ergens een lik gekregen, op zijn handen zijn arm en zelfs een keer in zijn gezicht. En ja papa stonk nu dus ook, want hij had Spikkel in zijn overhemd gewikkeld en in de auto gezet. Daarna had hij snel al zijn visspullen in de kofferbak gegooid en was naar huis gereden. Want Spikkel, en hijzelf, snakten naar een warm bad. Eerst Spikkel in de grote teil achter het huis en nu ging papa gauw naar boven. ‘Maar je kleren laat je beneden’ zegt mama,’ doe maar gauw uit die stinkboel’ en daar ging papa in zijn onderbroek het huis in. Zo liep alles toch nog goed af en die avond sliep Spikkel weer in zijn zachte mandje. Waar hij geweest was al die dagen weet niemand, maar weglopen heeft hij nooit meer gedaan. En ik kan het weten, want Spikkel was van ons.